Oerol Festival 2009

Nationale Reisopera: Ofnationalereisopera42fenbach’s Robinson Crusoé

In juni 2009 had Robbert van Steijn de muzikale leiding over Robinson Crusoé van Jacques Offenbach, speciaal bewerkt voor het Oerol Festival op Terschelling. Het was een productie van het Resident Artists Program van de Nationale Reisopera, waaraan jonge nederlandse of in Nederland werkzame  buitenlandse zangers kunnen deelnemen.

Speciaal voor Oerol, waar de Nationale Reisopera zich nog niet eerder aan had verbonden, bewerkte regisseur Marcel Sijm, tekstschrijver Anne Lichthart en dirigent Robbert van Steijn de avondvullende opera van Jacques Offenbach tot een 70 minuten durende éénakter op een nieuwe, speciaal voor de buitenlocatie geschreven nederlandse tekst.

Tijdens het Oerol Festival heeft deze voorstelling tweemaal daags gespeeld op de ‘Zandafgraving Oost’, een unieke duinlocatie, die door de regisseur tot het uiterste werd benut. De zangers kregen het fysiek zwaar te verduren met het lastig te bedwingen hoogteverschil. De opera werd muzikaal begeleid door een trio van piano (Abigail Richards), klarinet (Sergio Hamerslag) en cello (Stephan Heber). De musici zaten in een ‘kiosk-achtige’ houten kist, half ingegraven in het duinzand. Het publiek, 300 bezoekers per voorstelling, zat op een speciaal voor de locatie gemaakte tribune.

De voorstelling bleek een daverend succes en haalde grote publiciteit in de landelijke en regionale media. Zowel voor het Oerol Festival als voor de Nationale Reisopera was deze productie een experiment. De kat moest even uit de boom worden gekeken (opera op foto oerolTerschelling?) maar het publiek koos massaal voor deze voorstelling. In totaal zijn er zestien voorstellingen gegeven die praktisch volledig uitverkocht waren. Het mooie weer heeft zeker tot het succes bijgedragen. Alleen de voorlaatste voorstelling is deels in het water gevallen.

Er werd gewerkt met een dubbele cast, één voor de voorstelling om 14:00 uur en de andere om 16:00 uur. De rolverdeling was als volgt:

vader: Richard Keen / Tiemo Wang; moeder/vrijdag: Ellen van Beek / Talitha van der Spek; Edwige: Caroline Cartens / Else-Linde Buitenhuis; Suzanne: Wineke van Lammeren / Kitty de Geus; Robinson: Dick van Daele / Erik Slik; Toby: Koen Vereertbrugghen / Steven van Gils

Vormgeving en kostuums waren van Clement & Sanou. Geluidstechniek was in handen van Paul Pol.

Recensie:

Theatercentraal.nl
door Celia Noordegraaf

Waar komt Robinson Crusoe beter tot zijn recht dan op een eiland, moet de Nationale Reisopera hebben gedacht toen ze zich voorbereidde op een voorstelling op Oerol. Offenbachs komische opera uit 1879 werd door een aantal jonge kunstenaars herschapen tot een megaleuk, superactueel stuk dat het genre opera voorgoed van alle stoffigheid ontdoet. Het Nederlands blijkt een prima operataal en ook in de open lucht verrassend goed te verstaan.

De familie waar Robinson deel van uitmaakt, heeft het o zo gezellig. Ze genieten van alles en vooral van elkaar. Ze eten er lekker van, doen op zijn tijd een spelletje, kortom, ze hebben het helemaal voor elkaar. Spel en zang van het in roze en wit gehulde gezin stromen over van kneuterigheid en wekken op een aanstekelijke manier de lachlust op. Het is waarschijnlijk niet eerder in de Nederlandse operageschiedenis voorgekomen, dat een ode op de kipfilet met langgerekt fileeeeeh zulke hoge ogen bij het publiek gooide. ‘Robinson Crusoe’ wordt gespeeld in een zandafgraving op Terschelling-Oost. Regisseur Marcel Sijm buit de mogelijkheden van deze locatie fantastisch uit.
De jonge Robinson Crusoe is te laat thuis. Hij moest stofzuigerzakken halen, maar is in plaats daarvan blijven dromen bij de zee. De stem van de zee wordt prachtig vertolkt door vier zangers boven aan het duin: “Wij zijn de roep van de zee, ga mee”, zingen ze tegen de achtergrond van de blauwe lucht met de zee niet ver weg.

Robinson kan de roep van de zee niet weerstaan, ook al doet zijn familie alles om hem ervan te weerhouden. Ook zijn zus zou dolgraag weg willen, maar durft niet. De familie verzint uiteindelijk een plan en stuurt Robinson volledig gepamperd op reis. Voorzien van zwemslippers, duikbril, extra ondergoed en brandblusser klautert hij het duin op, een uiterst hilarische scène.

De kostuumontwerpers en grimeurs van de Nationale Reisopera hebben zich in Robinson Crusoe heerlijk uit kunnen leven. Vooral in het laatste bedrijf wanneer Robinson op het ‘onbewoonde eiland’ aankomt en de locals ontmoet. Vader Crusoe is werkelijk geweldig gekostumeerd als kannibaal en ook moeder mag er zijn. Vertaalster Anne Lichthart herschiep het klassieke libretto in moderne, en vaak zeer humoristische songteksten. “Van kop tot kuit, lepelen ze je schedel uit”, zingt moeder bijvoorbeeld over de kannibalen.

Ondanks alle grappen en grollen heeft Robinson Crusoe een mooi, universeel thema. Op een subtiele manier leren de ouders er in Robinson Crusoe vrede mee te hebben, dat hun kinderen uitvliegen uit het nest. Van ‘bijelkaarheid’ komen ze tot ‘uitelkaarheid’, met als prettig bijkomend resultaat ‘weer tijd voor elkaar’.

De Nationale Reisopera geeft jonge kunstenaars in het Resident Artists Programme de kans om een voorstelling te maken met in dit geval een subliem resultaat. Zowel het libretto als de muziek zijn grondig onder handen genomen en herschapen in een wervelende voorstelling van ongeveer een uur. Er wordt met twee casts gespeeld, vanwege de weersgevoeligheid van de stemmen in de open lucht. Op zaterdagmiddag in de stralende zon klonken ze in elk geval zo helder als glas.

De begeleidende muziek – vanuit een zandbak – met grappige citaten uit de hedendaagse muziek sluit naadloos aan bij de sprankelende presentatie van de zanger-acteurs. Kortom, een topvoorstelling.

Recensie:

Op Oerol is Robinson Crusoe nooit alleen

Twentse Courant Tubantia/Gelderlander

door Ingrid Bosman

Een jonge cast van de Nationale Reisopera bracht Robinson Crusoe voor het Oerol-festival naar Terschelling en het publiek sloot hem én zijn maffe familie bij de première meteen in de armen.

MIDSLAND – Natuurlijk is Robinson de ster. Een superheld, volgens zijn zusjes. Maar Richard Keen als vader Crusoe steelt deze zaterdag bij de première de show. Vanaf het eerste moment, maar vooral als hij zijn machtige lijf, haardos én stem inzet om overtuigend de kannibalenleider te spelen die Robinson moet doen geloven dat hij echt op een onbewoond eiland is aangespoeld. Want ze doen maar alsof, de ouders, broer en twee zussen van Robinson in deze hippe versie van Jacques Offenbachs komische opera naar het beroemde achttiende-eeuwse verhaal van Daniel Defoe. Anne Lichthert schreef een geestige, pittig bekkende Nederlandse tekst.

De Crusoetjes zijn in hun knusse duinhuis one happy family, die de avontuurlijke Robinson graag bij moeders pappot wil houden. Als hij er wat lang over doet om stofzuigerzakken te kopen – het zand is hardnekkig – vreest ma al dat hij aan de drugs is. De list bestaat eruit dat de familieleden een onbewoond eiland nabootsen, zodat hun zoon en broer niet ver hoeft om de roep van de zee te volgen. Wanneer Robinson eenmaal is uitgezwaaid worden de eerste scheuren in het familiebastion zichtbaar. Uiteindelijk blijkt het gezin te bestaan uit los zand dat zijn eigen weg zoekt. Maar wel familie blijft. En: geluk kan vinden.

Het publiek smult ervan en de reacties vanaf de tribune geven de zeskoppige cast nog meer energie. In hun ingenieus ingegraven orkestbak tonen de drie musici zich al even gedreven. Dirigent Robbert van Steijn staat in een zandkleurig tropenjasje op de bok, natuurlijk gemaakt van sloophout, net als de orkestbak en zelfs de lessenaars van de musici. Want de zandafgraving in de duinen bij Oosterend mag dan op zichzelf het ideale decor zijn, het zijn de details die het vervolmaken, maar ook veel werk kosten. En het is de eerste productie die de Reisopera voor een buitenlocatie maakt. Intensief dus voor alle betrokkenen, zoals Jean Copland benadrukt. Zij geeft leiding aan het Resident Artists Project (RAP), waaronder ook deze Oerol-voostelling valt. Via RAP wil het in Enschede gevestigde operagezelschap jong talent de kans bieden om ervaring op te doen. „We hebben in december al deze locatie uitgekozen. Omdat je hier helemaal de sfeer van een onbewoond eiland kunt oproepen. Maar dan begint het pas.” Voor de laatste voorbereidingen reisde de twintig man sterke groep een week geleden af naar Terschelling. De weersvoorspellingen voor de komende week zien er veelbelovend uit, zodat de resterende optredens met vertrouwen tegemoet kunnen worden gezien. In totaal zijn er zestien voorstellingen met telkens driehonderd bezoekers. En Jean Copland ziet tot haar vreugde een heel ander publiek dan de klassieke operaliefhebbers. „Heel veel mensen doen hier hun eerste operaervaring op. Dat is toch fantastisch? ”

Richard Keen staat na afloop uit te puffen, maar zijn heftig geschminkte inboorlingengezicht straalt. „Veel energie, veel verf, veel zand”, vat de Brit zijn ervaring samen. Het is fysiek zwaar, beaamt hij en hij heeft heel wat mee te torsen, elke keer dat duin op en neer. „Het vergt een andere manier van zingen. Normaal is je beweging er vooral op gericht om je stem het werk te kunnen laten doen. Nu moet ik rennen en zingen tegelijk en dan ook nog in het Nederlands. Ik ben al behoorlijk getraind de afgelopen week, maar ik ben aan het eind buiten adem.” „Nog een week”, grapt een toeschouwer, „en je bent in topconditie.” Het scheelt dat er een dubbele cast is. Dat is om nog meer redenen praktisch. Over een kleine twee uur begint alweer de volgende voorstelling. Keen: „Maar ik ben toe aan minstens twee uur douchen.”

Klik hier om terug te keren naar het Archief.

(top) Anish Kapoor, set designer Parsifal DNO

(below) Ernest van Dyck, Klingsor and Amalia Materna as Kundry, Bayreuth 1886